Soms heeft je kind meer hulp nodig dan de basisondersteuning. Dan kan school extra ondersteuning regelen. Er zijn drie vormen van ondersteuning: basisondersteuning, extra ondersteuning en soms gespecialiseerde ondersteuning (bijvoorbeeld speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs).
Als er meer overleg nodig is, kan school een gesprek organiseren met het Schoolondersteuningsteam (SOT). Daarin bespreken school, ouders, SPOW en het jeugdteam wat je kind nodig heeft en wie wat doet. Is de situatie ingewikkeld, dan kan er een uitgebreider overleg zijn: Handelingsgericht Integraal Arrangeren (HIA). Daarna worden afspraken gemaakt over de volgende stap.
Nee, een diagnose is meestal niet nodig om extra hulp op school te krijgen. Soms helpt een diagnose (zoals aandachtproblemen of autisme) om beter te begrijpen wat je kind nodig heeft. Denk daarom goed na of onderzoek nodig is en door wie. Voor sommige hulpmiddelen is een diagnose wél nodig, bijvoorbeeld om extra tijd te krijgen bij dyslexie.
Als je kind extra ondersteuning nodig heeft, maakt de school een plan met doelen en afspraken. Dit heet een ontwikkelingsperspectief (OPP).
Jij praat mee als ouder. Vraag om uitleg als woorden niet duidelijk zijn. Spreek met school af wanneer jullie weer overleggen. Dan kijk je samen of de hulp helpt, of dat er iets anders nodig is. Soms kan de extra ondersteuning stoppen als het niet meer nodig is.
Vooral de leerkracht en de intern begeleider (IB’er). De leerkracht ziet vaak als eerste dat je kind extra hulp nodig heeft. De intern begeleider helpt om de juiste ondersteuning te regelen en maakt samen met jou afspraken, bijvoorbeeld in een plan. Soms overlegt school ook met de directeur of met een adviseur van het samenwerkingsverband.
Maak een afspraak met de leerkracht of de intern begeleider (IB’er). Samen bespreek je wat je kind nodig heeft en wat school kan doen. Soms is er een overleg met meerdere mensen, zoals een multidisciplinair overleg (MDO) of een gesprek met het Schoolondersteuningsteam (SOT).
Jij bent daarbij als ouder altijd aanwezig. Jij kent je kind het beste en praat mee over de afspraken. Je mag iemand meenemen naar het gesprek. School vraagt altijd jouw toestemming als zij informatie wil delen met mensen buiten de school.
Soms is extra onderzoek nodig, bijvoorbeeld door een psycholoog of logopedist. Ook daarvoor vraagt school eerst jouw toestemming. Jij krijgt het verslag als eerste te lezen en je beslist of school het ook mag lezen.
De school bespreekt minstens één keer per jaar met jou hoe het gaat met het ontwikkelingsperspectief (OPP) en of de hulp nog past.
Bespreek eerst rustig wat jij ziet en wat school ziet. Vraag door en probeer samen een oplossing te vinden. Lukt dat niet, dan kun je SPOW vragen om mee te denken of te bemiddelen. Ook kun je praten met het schoolbestuur. Als laatste stap kun je een klacht indienen of hulp vragen bij een onderwijsconsulent. Bij een groot geschil kan soms de Geschillencommissie Passend Onderwijs helpen.
Er kunnen verschillende redenen zijn waarom jij en de school iets anders vinden. Jij ziet je kind thuis, ziet hoe het zich voelt en luistert naar wat het vertelt over school. De leerkracht ziet jouw kind alleen op school. Deze situaties kunnen anders zijn. Ook kan het zijn dat jij en de school anders denken over wat je bij jouw kind ziet.
Soms kan een school de extra hulp niet (genoeg) bieden. De school zegt dan soms dat zij handelingsverlegen is. De school moet dit met jou bespreken en samen zoeken naar een oplossing.
Je kind heeft nog steeds recht op onderwijs. De school heeft zorgplicht en mag je kind niet uitschrijven voordat er een andere passende school is. De school maakt eerst een plan: het ontwikkelingsperspectief (OPP).
Soms past een andere school beter, bijvoorbeeld speciaal basisonderwijs (SBO) of speciaal onderwijs (SO). Daarvoor kan een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) nodig zijn. Komen jullie er samen niet uit, dan kun je hulp vragen, bijvoorbeeld van een onderwijsconsulent.